“Je hoort, als schrijvend wezen, te doen alsof het Boekenbal je geen bal interesseert. Ach, dat Bal, elk jaar hetzelfde. Al die oude schrijvers, strompelend door de Stadsschouwburg, slechte muziek en omvallende piepschuimen decorstukken die iets met het thema te maken hebben.
Maar ik vind het leuk om naar het Boekenbal te gaan. Hoe vaak per jaar kun je nou naar een bal? Hoe vaak per jaar zie je mensen zo vreemd dansen? En er zijn ook nog eens altijd te weinig kaartjes. Iets dat schaars is, wil ik onmiddellijk hebben.
Het probleem met het bal is de dresscode. Bij andere bals is die duidelijk: je moet een lange glitterjurk aan, en klaar. Maar bij het Boekenbal ben je of schromelijk over- of schromelijk underdressed. Dat hangt er vanaf bij wat voor type balganger je op dat moment in de buurt staat.
Sta je in de buurt van de nieuwe lichting schrijfsters die hun boeken met de punt van hun stilettohak schrijven, dan ben voel je je underdressed. Maar bevind je je tijdens het eindeloze gewandel door de foyers even in de regio van een groepje schrijvers van de oude stempel, die gewoon met hun ribfluwelen broek, hun verkreukelde linnen jasje en hun mondgeurtje gekomen zijn, dan voel je je overdressed. En sta je toevallig even dichtbij Harry Mulisch, dan voel je je te dik.
Het is dus nooit goed. Het erge was: dit jaar was het thema ook nog eens ‘tjielp’, of, iets breder getrokken, ‘dieren’. Een thema dat zelfs bij een rationeel denkend mens als ikzelf de gedachte losmaakt dat het misschien wel aardig is om een keer in slangenprint te verschijnen. Het hielp ook al niet dat de Zara, de baljurkleverancier van gemiddeld bemiddelde schrijfsters, vol hing met lentejurken in slangennylon.
Ik ging te rade bij mijn vriendin M., een praktische schrijfster die toch stijlvol is. Zij raadde mij aan om een gewone zwarte jurk aan te trekken, en daarop in het kader van tjielp een paaskuikentje van de Xenos te lijmen. Zij had ze thuis al liggen, voor de Paas, en gaf mij er eentje mee.
Ik lachte haar van binnen uit om dit idee, maar gisteren, na een uitputtende middag waarin ik zonder resultaat meters glimmend slangentextiel had bevoeld, fietste ik opgelucht naar huis. Daar lag mijn kuiken. Mijn redding voor het bal.”









